© Publicatiedatum: 11 november 2024
HYPOTHESE
1. Inleiding
In wat volgt, zet ik per ontdekte lacune uiteen wat er volgens mij moet gebeuren om deze lacune op te heffen.
(1) Er moet een nieuwe fenomenologie van rouw uitgedacht worden die in tegenstelling tot de huidige fenomenologische studies over rouw (i.) in staat is te voorkomen dat psychologische aannames over rouw in de analyse worden binnengesmokkeld, om (ii.) de ervaring of het fenomeen van ‘rouwen om de dood van de ander’ meeromvattend te kunnen benaderen.
(2) Er moet een nieuwe fenomenologie van ethiek en de ander ontworpen worden die in tegenstelling tot Levinas, in staat is aan te voelen en uit te leggen waarom mensen zich genoodzaakt voelen ethisch om te springen met (overblijfselen van) overleden anderen.
(3) Er moet een nieuwe fenomenologie van rouw ontwikkeld worden die in tegenstelling tot de huidige fenomenologie van rouw, Levinas en Heidegger, in staat is de zin van funeraire praktijken fenomenologisch te verstaan en duiden.
(4) Een Heidegger-expert moet de taak op zich nemen de derde on(der)ontwikkelde fenomenologische reductie in Sein und Zeit veroorzaakt door een naast overlijden (i.) methodologisch uit te denken onder meer in relatie tot de andere twee reducties, en (ii.) fenomenologisch uit te werken in relatie tot Sein und Zeit als geheel, andere relevante passages uit Heideggers oeuvre, alsook (iii.) zowel op methodologisch als inhoudelijk vlak verder durven kijken indien nodig: het betreft immers een onontgonnen denkweg binnen het werk van en over hem.
2. De behoefte aan een op Heidegger geïnspireerde fenomenologie van rouw
Mijn hypothese luidt dat de uitvoering van ‘de derde fenomenologische reductie’ niet alleen vernieuwend en verrijkend is op vlak van Heidegger-research, maar ook tegemoetkomt aan de gebreken in de hedendaagse fenomenologie van rouw enerzijds en de levinasiaanse fenomenologie van ethiek anderzijds. Ik betoog met andere woorden dat met het opheffen van de vierde lacune, de drie eerdere lacunes eveneens worden opgeheven. Deze hypothese laat zich als volgt per lacune onderbouwen.
(1) Heidegger is het meest van alle fenomenologen begaan met het overtreffen van psychologische, subject- of bewustzijnsgeoriënteerde analyses. In die zin biedt zijn conceptueel raamwerk, met name zijn stemmingsleer, een uitgelezen mogelijkheid om het fenomeen van rouw op een meer open, dat wil zeggen nog niet strikt gelokaliseerde en ingekapselde manier te onderzoeken. Bovendien voorziet Heidegger zelf het opzetje om dit aan te vangen en relevant daarbij, is dat de rouw daarin niet actief wordt gethematiseerd, maar passief, via een overlijden dat raakt. Iets dat de kans op psychologische theoriegeladenheid sowieso al vermindert.
(2) Heidegger bestempelt de zorg voor overledenen als een modus van onze zorg voor anderen (Fürsorge) en levert daarmee een startpunt voor een ethische fenomenologie die overledenen includeert, wat tevens zijn eigen noties van ‘voorzorg’ en ‘mede-zijn’ potentieel herijkt, aangezien deze nooit wezenlijk in die richting werden verkend. Echter, het geïntendeerde ‘object’ van deze zorg wordt niet echt duidelijk op basis van Heideggers tekst, want het conceptueel onderscheid dat hij aanbrengt tussen ‘de overledene (der Verstorbene)’ en ‘de gestorvene (der Gestorbene)’ blijft vaag (Visker 2007). Als zodanig faciliteert dit onderscheid niettemin een fenomenologisch debat over de vraag ‘waarin’ de alteriteit of eigenheid van de ander als ander, oftewel iemands persoonsidentiteit, is gelegen. Iets dat relevant is omdat de eigenheid van de ander voor Levinas de trigger vormt van om het even welke ethische respons. Specifieker gaat het om de vraag of het wezen van de ander (i.) geïncarneerd is in het lichaam, (ii.) geïncarneerd is in de wereld, of (iii.) volledig gedesincarneerd is, ja transcendent. Heidegger lijkt te schipperen tussen alle opties, terwijl Levinas louter de laatste optie vertegenwoordigt.
(3) Heidegger stipt funeraire riten aan zónder deze therapeutisch in te vullen (de huidige fenomenologie van rouw) of ethisch te veroordelen (Levinas). Sterker nog, hij interpreteert ze überhaupt niet. Zijn werk laat zo een opening om deze onalledaagse praktijk verder te doordenken, waarbij een dialoog met zijn uitgebreide analyses aangaande ons alledaagse in-de-wereld-zijn voor de hand ligt. Verder kan vanuit zijn denken de vraag gesteld worden naar het wezen van de funeraire rite (ontologisch), enerzijds om voorbij te gaan aan de concrete theologische of psychologische uitleg die culturen er zelf aan geven (ontisch), anderzijds om zulke –relevante maar regionale– interpretaties wezenlijker te ontsluiten.
DOELEINDE(N)
Het hoofddoel van het onderzoeksproject “Meer dan een verlies” is, zoals in de ondertitel naar voren komt, uitkomen bij een fenomenologie van rouw. Specifieker geldt hierbij als primair einddoel: het uiteenzetten van een op Heidegger geïnspireerde, omvangrijke fenomenologie van rouw. Een hoofddoel dat is opgedeeld in vier in elkaar grijpende doeleinden.
(1) Het uitvoeren van de derde on(der)ontwikkelde fenomenologische reductie, aan te treffen in Heideggers Sein und Zeit, passief veroorzaakt door de dood van de ander.
(2) Het ontwikkelen van een non-psychologische, meerzijdige fenomenologie van rouw.
(3) Het fenomenologisch uitwerken van een meta-ethiek die de overleden ander includeert.
(4) Het fenomenologisch uitwerken van een eigensoortige wereldlijke orde, fundamenteler dan onze alledaagse praktisch-georiënteerde wereld, waarbinnen en van waaruit de zin van funeraire riten kan worden verstaan.
De drie laatste doeleinden volgen als het ware uit de eerste. Door in te gaan op een naast overlijden als een fenomenologische reductie à la Heidegger, dus van passieve aard, kan namelijk op een nieuwe holistische manier worden nagedacht over
(i.) het wezen van de dood (thanatologische dimensie),
(ii.) de stemming van rouw (‘psychologische’ dimensie – of beter: post-psychologisch),
(iii.) de plicht van rouwenden om voor hun overledenen te zorgen (ethische dimensie),
(iv.) de notie van persoonsidentiteit die hierbij een rol speelt (persoonsidentitaire dimensie),
(v.) de symbolische vorm die deze plicht aanneemt (rituele of liturgieke dimensie),
(vi.) de eigensoortige wereldlijke orde die hierbij naar voren treedt (sociaal-ontologische dimensie).
